Het leven van de dichter Isaäc da Costa (1798-1860) omspant de emancipatie van de Joden en de prille opkomst van het zionisme. In 1822 nam Da Costa afscheid van de synagoge, omdat hij zich liet dopen. In zijn afscheidsbrief verzekerde hij de bestuurders van de Sefardische gemeente echter, dat zijn gehechtheid aan en liefde voor de Israëlitische natie onverminderd is gebleven. Het lot van de Portugese gemeente en haar leden in het bijzonder trok hij zich aan en dat wilde hij metterdaad bewijzen. Bovendien zag hij het als een groot voorrecht als Jood geboren te zijn. Dit officiële afscheid van de synagoge drukt dus tevens een sterke verbondenheid met haar uit (1) .