In het midden van de wetgevende hoofdstukken aan het einde van het vijfde boek Mozes (Deuteronomium 20 e.v.) stuitte ik op een bekende vraag; geef ik omdat ik liefheb of heb ik lief omdat ik gegeven heb? Als ik anderen geef, wordt ik dan minder of juist meer? Krimp ik door naastenliefde of wordt ik juist groter?