Het Hebreeuwse woord alija betekent letterlijk het komen van een lage plaats en 'omhoog gaan', maar sinds Israël haar deuren opende voor Joden uit de diaspora in 1950, wordt het gebruikt om immigratie naar Israël te beschrijven. In de oudheid verwees de term alija altijd naar de reis naar Jeruzalem om de Tempel te bezoeken, meestal tijdens een van de pelgrimsfeesten (Pesach, Sjavoe’ot of Soekot). Wanneer men het over alija had, had men het over het opgaan naar de heiligste plek ter aarde: de Heilige Tempel.