Hoofdstuk 16 van Leviticus (het derde boek van de Thora) spreekt een verbod uit op het zo maar in een spontane opwelling het Heilige betreden. Dit verbod wordt ingeleid met de opmerking ‘Na de dood van de twee zonen van Aäron, toen zij G’d benaderden, zei G’d tegen Mozes: ‘Spreek tot je broer Aäron dat hij niet op elk moment in het Heilige mag binnenkomen, daar waar de heilige Ark en het verzoendeksel staan’ (16: 1-2).